HomeHeilige JozefmariaSpreken met GodHet Heilig Hart van Jezus
Heilige Jozefmaria
Woorden van de heilige Jozefmaria

Het Heilig Hart van Jezus

Tags: Jezus Christus, De liefde van God
Het hart van Christus Jezus leren kennen
Homilie gehouden 17 juni 1966 (feest van het Heilig Hart van Jezus)

God de Vader heeft zich verwaardigd ons, in het hart van zijn Zoon, infinitos dilectionis thesauros (uit het Gebed van de Mis van het Heilig Hart), onuitputtelijke schatten van liefde, barmhartigheid en genegenheid te schenken. Als wij zeker willen zijn van het feit dat God van ons houdt en dat Hij onze gebeden niet alleen verhoort maar dat Hij ons zelfs vóór is, dan volstaat de uitspraak van de heilige Paulus: Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken? (Rom. 8, 32).

De genade vernieuwt de mens van binnen en verandert hem van zondaar en opstandeling in een goede en getrouwe knecht (vgl. Mt. 25, 21). De bron van alle genade is de liefde die God voor ons heeft, die Hij ons niet alleen met woorden geopenbaard heeft maar ook met daden. De liefde van God maakt dat de tweede Persoon van de heilige Drie-eenheid, het Woord, de Zoon van God de Vader, ons vlees aanneemt en in alles, behalve in de zonde, gelijk wordt aan de mensen. En dit Woord van God is Verbum spirans amorem (H. Thomas van Aquino, S. Th. I q. 43, a. 5 [de heilige Augustinus aanhalend, De Trinitate 9, 10]), het Woord dat de liefde uitademt.

Deze liefde openbaart zich in zijn menswording, in het verlossende rondtrekken op aarde en in zijn allergrootste offer, het kruisoffer. Aan het kruis toont de liefde zich ons met een nieuw teken: Een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit (Joh. 19, 34). Water en bloed van Jezus, die ons doen spreken van een overgave tot het uiterste toe, tot het consummatum est (Joh. 19, 30), het is volbracht uit liefde.

Op het feest van vandaag, wanneer wij nogmaals de centrale mysteries van ons geloof overdenken, staan wij er verbaasd over hoe de diepste werkelijkheden, namelijk de liefde van God de Vader die zijn Zoon overlevert en de liefde van de Zoon die Hem ertoe brengt in volle overgave de berg van Golgota te beklimmen, ons op een zo aansprekelijke manier getoond worden. God richt zich niet tot ons met machtsvertoon en overheersing. Hij komt tot ons door de gedaante aan te nemen van een dienaar, aan de mensen gelijk gemaakt (Fil. 2, 7). Nooit houdt Jezus zich op een afstand, al zullen wij Hem soms tijdens de jaren van zijn openbaar leven ontstemd zien, omdat de menselijke boosheid Hem diep treft en pijn doet. Maar als wij blijven opletten, merken wij al snel dat zijn misnoegen en toorn voortkomen uit liefde. Zij zijn een extra uitnodiging om ons te bevrijden van zonde en ontrouw. Wens ik soms de dood van de zondaar, zegt de Heer Jahwe, en niet veeleer dat hij zijn slechte wegen verlaat en dat hij leeft? (Ez. 18, 23). Deze woorden maken ons het hele leven van Christus duidelijk en laten ons inzien waarom Hij zich aan ons geopenbaard heeft met een hart van vlees en bloed, met een hart net als het onze. Dat is een onomstotelijk bewijs van liefde en een onophoudelijke getuigenis van het onuitsprekelijke mysterie van de goddelijke liefde.

Ik kan niet nalaten u iets toe te vertrouwen dat voor mij een reden tot droefheid en tegelijk een aansporing is: de tragedie van de mensen die Christus nog steeds niet kennen en die geen vermoeden hebben van het geluk dat ons in de hemel te wachten staat. Mensen die op de aarde als blinden rondlopen, mensen die een soort vreugde najagen waarvan zij de ware betekenis niet kennen, mensen die verdwaald raken op wegen die hen steeds verder van het ware geluk verwijderen. Wat kunnen wij goed begrijpen wat de apostel Paulus moet hebben gevoeld in die nacht in de stad Troas, toen hij in zijn slaap een visioen had. Een man uit Macedonië kwam vóór hem staan, en smeekte hem om naar Macedonië te komen en hen te helpen. Toen het visioen voorbij was, deden zij - Paulus en Timóteüs - hun best om naar Macedonië over te steken, zeker als zij ervan waren dat God hen riep om aan die mensen het evangelie te verkondigen (Hand. 16, 9-10).

Voelt ook u niet dat God ons roept, dat Hij ons aanspoort de blijde boodschap van de komst van Jezus te verkondigen? Hij spoort ons aan door middel van alles wat er hier om ons heen gebeurt. Maar soms ontlopen wij christenen onze roeping en vervallen in oppervlakkigheid, of verspillen onze tijd met discussies en onenigheid. Of wat nog erger is, er zijn mensen die aanstoot nemen aan de manier waarop anderen sommige aspecten van het geloof of bepaalde devoties beleven, en in plaats van zich in te spannen om ze te beleven op de manier die zij juist achten, houden zij zich alleen bezig met afbraak en kritiek. Uiteraard kunnen er in het leven van christenen allerlei fouten ontstaan en in werkelijkheid gebeurt dat ook. Maar wij, met al onze fouten, zijn niet zo belangrijk. De enige die van belang is, is Jezus. Om Christus gaat het en niet om ons.

De overdenkingen van zojuist zijn veroorzaakt door enkele commentaren op een beweerde crisis inzake de devotie tot het Heilig Hart van Jezus. Zo'n crisis bestaat niet. Immers, de ware devotie heeft altijd bestaan en is nog altijd een levendige houding die zowel menselijk als bovennatuurlijk is. Haar vruchten zijn nog altijd die van bekering en overgave, van vervulling van de wil van God en van liefdevolle verdieping in de geheimen van de verlossing.

Iets anders zijn uitingen van het onvruchtbare sentimentalisme, weliswaar vol vroomheid maar leeg, bezien vanuit de leer. Ook ik houd niet zo van zoetsappige beelden van het heilig Hart die, bij mensen met gezond verstand en een bovennatuurlijke visie die aan de christen eigen moet zijn, geen devotie tot stand kunnen brengen. Maar het is niet logisch om van enkele misstanden, die vanzelf verdwijnen, een theologisch probleem te maken.

Als er al een crisis is, dan gaat het om een crisis in het hart van de mensen die, door kortzichtigheid, egoïsme en bekrompenheid, niet in staat zijn de onmetelijke liefde van onze Heer zelfs maar te vermoeden. De liturgie van de heilige Kerk heeft, sinds de instelling van het feest van vandaag, het voedsel voor de ware vroomheid aangereikt. Zij heeft als lezing voor de Mis een tekst van de heilige Paulus gekozen. In deze lezing wordt ons een heel programma voorgelegd van contemplatief leven, van kennen en liefhebben, van gebed en leven, dat in de devotie tot het hart van Jezus zijn oorsprong heeft. God nodigt ons uit, bij monde van de apostel, om zelf deze weg te bewandelen. Dat Christus door het geloof woont in uw hart, en dat gij in de liefde geworteld en gegrondvest blijft. Moogt gij in staat zijn mèt alle heiligen te vatten, wat de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt van de gehele volheid Gods (Ef. 3, 17-19).

De volheid van God wordt ons in de liefde van Christus, in het hart van Christus geopenbaard en geschonken. Want het is zijn hart waarin de gehele volheid der godheid lichamelijk woont (Kol. 2, 9). De fijngevoeligheid die het hart van Jezus voor ons heeft, zullen wij niet eens kunnen opmerken als wij het grote plan van God uit het oog verliezen. Het plan om, dank zij zijn menswording, de verlossing en het pinkstergebeuren een golf van liefde over de wereld uit te storten.


De ware devotie tot het hart van Christus
Laten wij ons de rijkdom voor ogen houden die opgesloten ligt in de woorden: heilig hart van Jezus. Wanneer wij het over het menselijk hart hebben, dan denken wij niet alleen aan gevoelens maar aan de gehele persoon die bemint, die de anderen liefheeft en met hen omgaat. Dat bedoelen mensen als zij spreken over het hart. Dat bedoelt ook de heilige Schrift, als zij ons de goddelijke dingen voorhoudt. Op deze manier wordt het hart beschouwd als de samenvatting en de bron, de uiting en de uiteindelijke grond van gedachten, woorden en handelingen. Een mens is waard wat zijn hart waard is, kunnen wij dan met onze eigen woorden zeggen.

Het hart kent vreugde. Laat mijn hart zich verblijden in uw hulp (Ps. 12, 6). Het hart kent berouw. Mijn hart is als was die binnen mijn borst smelt (Ps. 21, 15): Het hart bezingt de lof aan God. Uit mijn hart ontspruit een prachtig lied (Ps. 44, 2). Het hart besluit naar de Heer te luisteren. Mijn hart is bereid (Ps. 56, 8). Het hart beschikt over de liefdevolle waakzaamheid. Ik slaap, maar mijn hart waakt (Hoogl. 5, 2). Ook kent het hart twijfels en vrees. Laat uw hart zich niet verontrusten, gelooft in Mij (Joh. 14, 1).

Het hart voelt niet alleen, maar het weet en het begrijpt ook. De wet van God wordt in het hart ontvangen (vgl. Ps. 39, 9) en blijft daar geschreven (vgl. Spr. 7, 3). De heilige Schrift voegt er nog aan toe: waar het hart vol van is, loopt de mond van over (Mt. 12, 34). Christus verweet sommige schriftgeleerden: waarom denkt gij kwaad in uw harten? (Mt. 9, 4). En om alle zonden die een mens kan bedrijven samen te vatten, zei Hij: uit het hart komen slechte gedachten voort, moord, echtbreuk, ontucht, diefstal, valse getuigenissen, godslasteringen (Mt. 15, 19).

Wanneer er in de heilige Schrift over het hart wordt gesproken, dan gaat het niet over een voorbijgaand gevoel dat ontroering of tranen oproept. Er wordt over het hart gesproken om de persoon aan te duiden die, zoals Jezus het zelf zei, zich met ziel en lichaam richt op wat hij als zijn goed beschouwt. Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn (Mt. 6, 21).

Als wij dus over het hart van Jezus spreken, dan hebben wij het over de zekerheid van de liefde van God en de werkelijkheid van zijn overgave voor ons. Wanneer wij de devotie tot het allerheiligst hart aanbevelen, dan bedoelen wij dat wij ons geheel richten met alles wat we zijn - onze ziel, onze gevoelens, onze gedachten, onze woorden en onze handelingen, onze werken en onze vreugden - op Jezus in zijn totaliteit.

De echte devotie tot het hart van Jezus vindt zijn concrete vorm hierin, dat het kennen van God en van onszelf wordt verwezenlijkt doordat wij naar Jezus opzien en naar Hem toegaan, naar Jezus die ons aanmoedigt, onderricht en leidt. Alleen iemand, die zelf te weinig mens is om oog te hebben voor wat het betekent dat God mens geworden is, vindt de devotie tot het heilig Hart oppervlakkig.

Jezus aan het kruis, met zijn hart uit liefde tot de mensen doorboord, is een duidelijk antwoord - woorden zijn hier overbodig - op de vraag naar de waarde van de dingen en van de mensen. De mensen, hun leven en hun geluk, zijn zo waardevol dat de Zoon van God zelf zich overgeeft om hen te redden, om hen te zuiveren, om hen te verheffen. Wie zal zijn hart, dat zo gewond is, niet beminnen? vroeg een contemplatieve ziel zich af in zijn overdenking. En hij ging verder: Wie zal geen liefde met liefde beantwoorden? Wie zal zo'n zuiver hart niet omhelzen? Wij, die uit vlees zijn, zullen liefde met liefde vergelden. Wij zullen Hem die voor ons gewond werd, omhelzen. Hem wiens handen en voeten, wiens zijde en hart door de godlozen doorboord werden. Laten wij bidden, dat Hij zich gewaardigt ons hart aan zich te binden door de band van zijn liefde en ons hart met een lans te doorsteken, want het is nog altijd hard en onboetvaardig (H. Bonaventura, Vitis mystica, 3, 11 [PL 184, 643]).

Het is steeds zo geweest dat de zielen die op Jezus verliefd waren, tot Hem zulke gedachten, gevoelens en gesprekken richtten. Maar om die taal te verstaan, om echt te kunnen weten hoe het menselijk hart wel is, en ook hoe het hart van Christus en de liefde van God zijn, behoeven we geloof en nederigheid. In geloof en nederigheid liet de heilige Augustinus ons enkele woorden na, die wereldberoemd zijn: Gij hebt ons geschapen, Heer, om u toe te behoren, en ons hart blijft onrustig totdat het rust vindt in U (H. Augustinus, Belijdenissen, 1, 1, 1 [PL 32, 661]).

Wanneer de nederigheid verwaarloosd wordt, probeert de mens over God te beschikken niet op de goddelijke manier die Christus zelf mogelijk heeft gemaakt toen Hij zei: Neemt en eet, want dit is mijn lichaam (1 Kor. 11, 24), maar door de goddelijke grootheid in te perken tot menselijke grenzen. Het verstand, het blinde en koele verstand, dat niet het verstand is dat uit het geloof voortkomt, noch het eerlijke verstand van een schepsel dat in staat is de dingen te waarderen en lief te hebben, verandert zich in de dwaasheid van wie alles onderwerpt aan zijn kleine dagelijkse ervaringen. Ervaringen die het bovennatuurlijke verkleinen en het hart van de mens bedekken met eelt, die hem ongevoelig maakt voor de ingevingen van de heilige Geest. Als God met zijn barmhartigheid de grenzen van onze beperkingen niet zou doorbreken, dan zou ons arme verstand verloren zijn. Ik zal jullie een nieuw hart geven en Ik zal jullie met een nieuwe geest bekleden. Ik zal jullie stenen hart wegnemen, en er één uit vlees voor in de plaats geven (Ez. 36, 26). En dan zal de ziel opnieuw het licht ten deel vallen en vervuld worden van vreugde bij het aanschouwen van de beloften uit de heilige Schrift.

Ik koester gedachten van vrede en niet van onheil (Jer. 29, 11), zei God bij monde van de profeet Jeremias. De liturgie past deze woorden op Jezus toe, omdat ons in Hem heel duidelijk wordt hoezeer God van ons houdt. Hij komt niet om ons te veroordelen of om ons onze nalatigheid of onze kleinzieligheid te verwijten. Hij komt om ons te redden, te vergeven, te verontschuldigen en ons vrede en vreugde te brengen. Als wij de sublieme verhouding tussen God en zijn kinderen onderkennen, zullen onze harten vanzelfsprekend veranderen en zullen wij beseffen dat zich voor onze ogen een volledig nieuw panorama vol reliëf, diepte en licht ontvouwt.


De liefde van Christus op anderen overbrengen
Let er wel op dat God niet zegt dat Hij ons, in plaats van een hart, de wil van een zuivere geest zal schenken. Nee, Hij geeft ons een hart van vlees, zoals dat van Christus. Ik heb geen twee harten, één om God te beminnen, en een ander om de mensen hier op aarde lief te hebben. Met hetzelfde hart waarmee ik mijn ouders bemind heb en waarmee ik van mijn vrienden houd, met datzelfde hart heb ik Christus lief, de Vader, de heilige Geest en de heilige maagd Maria. Ik zal nooit ophouden te herhalen dat wij heel menselijk moeten zijn, want anders kunnen wij nooit goddelijk worden.

Wanneer de menselijke liefde - de liefde van hier op aarde - echt is, dan geeft zij ons om zo te zeggen een voorproefje van de goddelijke liefde. Zo krijgen wij enig vermoeden van de liefde waarvan wij bij God zullen genieten en die er in de hemel tussen ons zal bestaan, wanneer de Heer alles in allen (1 Kor. 15, 28) zal zijn. Het beginnende inzicht wat de goddelijke liefde -is, zal ons brengen tot meer begrip, edelmoedige toewijding aan elkaar.

Wij moeten doorgeven wat wij ontvangen hebben en onderrichten wat wij geleerd hebben, anderen de liefde van Christus leren kennen, en dit in alle eenvoud en zonder vooringenomenheid. Het werk dat wij doen, het beroep dat wij uitoefenen, alles dient een dienstwerk te zijn. Een goed werkstuk dat zelf vooruitgang kent en ook tot vooruitgang leidt, een werkstuk dat ook de ontwikkeling van cultuur en techniek benut heeft, dát werk is de vervulling van een grote opgave en strekt tot nut van de hele mensheid. Voorwaarde hiervoor is, dat wij ons laten leiden door edelmoedigheid ten bate van de anderen en niet van onszelf, en niet door egoïsme. Kortom, ons werk moet vervuld zijn van de christelijke zin van het leven.

Door uw werk, door uw contacten en door uw intermenselijke betrekkingen moet u de liefde van Christus en de concrete vruchten ervan: vriendschap en begrip voor elkaar, de menselijke genegenheid, onderlinge vrede, tastbaar maken. Zoals Christus weldoende rondging op aarde (Hand. 10, 38), langs alle wegen van Palestina, zo moet ook u overvloedig vrede zaaien op alle menselijke wegen. In gezin en maatschappij, in de onderlinge verhoudingen bij de uitoefening van uw beroep, in cultuur en ontspanning. Dat zal het beste bewijs zijn dat het koninkrijk van God in uw harten is gekomen. Wij weten dat wij zijn overgegaan, schrijft de apostel Johannes, van de dood naar het leven, omdat wij de broeders liefhebben (1 Joh. 3, 14).

Maar niemand kan die liefde beleven, wanneer hij niet gevormd wordt in de leerschool van het hart van Jezus. Slechts indien wij opzien naar het hart van Christus, zullen wij erin slagen ons hart te bevrijden van haat en onverschilligheid. Alleen op déze manier zullen wij op christelijke wijze reageren, wanneer wij te maken krijgen met het lijden van anderen en met hun verdriet.

Denk aan de passage waarin Lucas ons vertelt over Christus, toen Hij de stad Naïm naderde (Lc. 7, 11-17). Jezus ziet de droefheid van de mensen, die Hij toevallig tegenkomt. Hij had eraan voorbij kunnen gaan, of wachten tot Hij geroepen werd of Hem erom smeekte. Maar Hij gaat er niet aan voorbij, noch wacht Hij af. Hij neemt het initiatief, bewogen als Hij is door de smart van een weduwe die het enige verloren had dat zij nog overhad, haar zoon.

De evangelist vertelt dat Jezus medelijden met haar kreeg. Misschien werd Hij ook wel zichtbaar ontroerd, evenals bij de dood van Lazarus. Jezus Christus was en is niet ongevoelig voor het lijden dat voortkomt uit de liefde en Hij verheugt zich niet op de scheiding van kinderen en ouders. Hij overwon de dood om het leven te geven, opdat zij die van elkaar houden, bij elkaar kunnen blijven. Maar eerst èn tegelijk eist Hij voorrang voor de goddelijke liefde, die de drijfveer moet zijn van een echte christelijke levenshouding.

Christus weet heel goed dat de menigte om Hem heen verbaasd zal staan over het wonder en het door de hele streek zal verkondigen. Maar wat Hij doet is niet gericht op de omstanders. Hij is getroffen door het leed van die vrouw en kan het niet laten haar te troosten. Inderdaad, Hij ging naar haar toe en zei: Ween niet (Lc. 7, 13). Alsof Hij haar te verstaan wilde geven, Ik wil je niet meer in tranen zien, want Ik ben gekomen om vreugde en vrede op de aarde te brengen. Dan vindt het wonder plaats, een uiting van de macht van Christus, God. Maar hieraan vooraf ging de ontroering van zijn ziel, een duidelijk teken van de tederheid van het hart van de mens Christus.

Als wij het niet van Jezus leren, dan zullen wij nooit de liefde kennen. Als wij zouden denken, zoals sommigen, dat zuiverheid en leven in Gods ogen betekent je hart het zwijgen opleggen en je hart niet laten aansteken door menselijke liefde, dan zou het logische resultaat zijn dat wij ongevoelig worden voor het verdriet van anderen. Wij zouden slechts in staat zijn een uiterlijk correcte naastenliefde op te brengen. Een naastenliefde die dor is en harteloos en dus niet de ware liefde van Christus, die echte genegenheid en echte menselijke warmte kent en in zich draagt. Hiermede geef ik geen grond aan valse theorieën die alleen maar flauwe excuses zijn om de harten op dwaalwegen te leiden door ze van God te vervreemden om ze aan zonde en ondergang prijs te geven.

Op het feest van vandaag moeten wij de Heer bidden dat Hij ons een goed hart geeft dat in staat is om medelijden te hebben met de smart van alle schepselen. Een hart dat in staat is om te begrijpen dat de ware balsem om het lijden in deze wereld te verlichten de liefde is, naastenliefde. Elke andere vorm van troost kan nauwelijks een ogenblik verstrooiing geven en laat ons achter in bitterheid en wanhoop.

Als wij anderen willen helpen dan moeten wij van hen houden. Ik herhaal het, met liefde die begrip en overgave betekent, genegenheid en bewuste nederigheid. Op deze manier zullen wij begrijpen waarom de Heer besloot de gehele wet samen te vatten in dat dubbelgebod, dat eigenlijk slechts één gebod is, God en de naaste beminnen met geheel ons hart (vgl. Mt. 22, 40).

Mogelijk vindt u dat de christenen - niet anderen, maar u en ik - soms vergeten zelfs het meest elementaire van die plicht na te leven. Misschien denkt u aan zovele ongerechtigheden die maar niet opgelost worden, zoals discriminatie die van generatie op generatie overgaat zonder dat men oplossingen zoekt om het kwaad in de wortel te bestrijden.

Het is niet mijn taak - en dat kan ik ook niet - u de concrete manier voor te leggen om die problemen op te lossen. Maar als priester van Christus is het mijn plicht u te herinneren aan hetgeen de heilige Schrift zegt. Overweeg de beschrijving van het laatste oordeel, die Jezus zelf heeft gegeven. Gaat weg van Mij vervloekten in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn engelen. Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij niet opgenomen. Ik was naakt en gij hebt Mij niet gekleed. Ik was ziek en ik zat de gevangenis en gij zijt Mij niet komen bezoeken (Mt. 25, 41-43).

Een mens of een maatschappij die niet reageert op nood en onrechtvaardigheid en zich niet inspant deze te verhelpen is geen mens en ook geen maatschappij naar het hart van Christus. Christenen moeten zich allemaal inzetten om de mensheid te dienen. Maar wel met voortdurende inachtneming van de grootst mogelijke persoonlijke vrijheid bij het verwezenlijken van concrete oplossingen. Dus met een vanzelfsprekend pluralisme! Anders zal hun christendom niet het woord en het leven van Jezus uitdragen, maar een masker vormen, een bedrog tegenover God zijn en tegenover de mensen.


De vrede van Christus
Ik moet u één ding in overweging geven. Wij moeten zonder ophouden strijden om het goede te doen. Juist omdat wij weten hoe moeilijk het voor ons is om te besluiten de gerechtigheid serieus te beoefenen. Wij zijn nog zeer ver verwijderd van een aardse samenleving die gebaseerd is op liefde in plaats van haat en onverschilligheid. Het ontgaat ons evenmin dat, ook al zouden wij een redelijke verdeling van de rijkdom en een evenwichtige organisatie der maatschappij realiseren, het lijden in de wereld nog niet verdwenen is. Hierbij moeten wij denken aan lijden dat veroorzaakt wordt door ziekte, onbegrip, eenzaamheid, door de dood van mensen die ons dierbaar zijn, of aan het lijden dat veroorzaakt wordt door de ervaring van onze eigen beperkingen.

Tegenover al deze ellende heeft de christen slechts één enkel, maar ook áfdoend antwoord, namelijk Christus aan het kruis, God die lijdt en sterft. God die ons zijn hart schenkt, het hart dat met een lans doorboord werd uit liefde voor ons allen. Onze Heer verafschuwt ongerechtigheid en veroordeelt ieder die deze begaat. Omdat Hij onze vrijheid respecteert, laat Hij dit haar toe. God onze Heer is niet de veroorzaker van het leed van de schepselen, maar Hij duldt het, omdat het sinds de erfzonde deel uitmaakt van het menselijk bestaan. Niettemin nam Hij met zijn liefdevol hart en met zijn kruis ook ons lijden, onze droefheid, onze angst, onze honger en onze dorst naar rechtvaardigheid op zich.

De christelijke leer over het lijden is geen goedkope vorm van troost. Voor alles spoort ze aan het lijden, dat in feite niet te scheiden is van het menselijk leven, te aanvaarden. Waar het kruis is, daar is Christus, de liefde. Omdat ik mij heb ingespannen om dit door te maken, zeg ik u nu niet zonder vreugde dat ik in mijn leven vaak met het leed geconfronteerd ben. En meer dan eens stond ik op het punt te huilen. Menigmaal ook heb ik de groeiende afkeer van kwaad en onrecht moeten smaken tot het bittere eind. Zo ook heb ik het verdriet gekend om, ondanks alle goede wil en inspanningen, machteloos te staan en geen hulp te kunnen bieden.

Wanneer ik tot u spreek over het lijden, dan heb ik het niet over een theorie. Ik geef geen onbekende ervaring door als ik u verzeker dat, als u met lijden geconfronteerd wordt en als u voelt dat uw ziel ontsteld wordt, het dan de oplossing is opzien naar Christus. Dat is het geneesmiddel. Het tafereel van Kalvarië verkondigt aan iedereen dat alle leed geheeld zal worden indien wij in vereniging met het kruis willen leven.

Indien wij onze benauwenis op christelijke wijze beleven, zal die uiteindelijk in genoegdoening en eerherstel, in een deelname aan het lot en het leven van Jezus zelf veranderen. Vrijwillig immers en uit liefde voor de mensen, heeft Hij het leed in alle gradaties en in al zijn soorten willen ondergaan. Hij werd arm geboren, Hij heeft arm geleefd en zo is Hij ook gestorven. Hij werd aangevallen, beschimpt, belasterd en onrechtvaardig veroordeeld. Hij werd verraden en door zijn leerlingen in de steek gelaten. Hij heeft de eenzaamheid, de bitterheid van de kastijding en de dood ervaren. Nu, op dit ogenblik, lijdt Christus nog steeds in zijn ledematen, in de gehele mensheid die de aarde bevolkt en waarvan Hij het hoofd is, de eerstgeborene en de verlosser.

Het lijden heeft een plaats in de plannen van God. Dat is de realiteit, al kost het ons nog zoveel moeite om dit te begrijpen, zoals het ook Jezus als mens zwaar viel. Vader, indien u wilt, laat deze kelk Mij voorbijgaan, maar niet mijn wil, doch uw wil geschiede (Lc. 22, 42). Onder deze spanning tussen marteling en aanvaarding van de wil van de Vader gaat Jezus sereen en kalm de dood tegemoet, terwijl Hij degenen, die Hem kruisigen, vergeeft.

Juist de bovennatuurlijke aanvaarding van het lijden betekent de grootste overwinning. Jezus heeft de dood overwonnen doordat Hij stierf aan het kruis. Uit de dood laat God leven ontstaan. De houding van een kind van God is niet die van iemand die zich neerlegt bij zijn lot, maar van iemand die met vreugde de zege reeds ziet dagen. In naam van de zegevierende liefde van Christus moeten wij, christenen, overal op aarde zaaiers van vrede en vreugde zijn, door middel van woord en daad. Wij moeten een vreedzame strijd strijden tegen het kwaad, het onrecht en de zonde. Aldus verkondigen wij dat het huidige menselijke bestaan niet het definitieve is maar dat de liefde van God, die zijn weerslag vindt in het hart van Christus, onder de mensen een glorievolle geestelijke overwinning zal bereiken.

Wij spraken zojuist over de gebeurtenissen te Naïm. Wij zouden nog andere kunnen aanhalen. De evangelies zijn er vol van. Die verhalen hebben de harten van de mensen steeds in vuur en vlam gezet en zullen ze ook blijven raken. Zij houden immers niet slechts het eerlijke gebaar in van een mens die medelijden krijgt met zijn naasten, maar zij tonen vóór alles de onmetelijke liefde van de Heer. Het hart van Jezus is het hart van de mensgeworden God, Emmanuël, God met ons.

De Kerk, met Christus verenigd, wordt geboren uit een doorstoken hart (Vesperhymne van het Feest). Uit dat geheel geopende hart wordt ons het leven doorgegeven. Hoe zouden wij ons hier niet, al is het maar kort, de sacramenten herinneren door middel waarvan God in ons werkt en ons deelgenoot maakt van de verlossende kracht van Christus? Hoe zouden wij hier niet, met bijzondere dankbaarheid, denken aan het allerheiligst sacrament van de eucharistie, het heilig offer van Kalvarië en zijn voortdurende onbloedige hernieuwing in de heilige mis? Jezus schenkt zich aan ons als voedsel. Omdat Hij tot ons komt, wordt alles anders. Hierdoor manifesteren zich in ons krachten die de ziel vervullen - de hulp van de heilige Geest - en die onze handelingen alsmede onze manier van denken en voelen doordringen. Het hart van Christus is de vrede voor de christen.

De grond voor de overgave die de Heer van ons verwacht ligt niet alleen in onze wensen, noch in onze krachten die zo vaak klein en onvoldoende zijn. Vóór alles steunt zij op de genade die de liefde van het hart van de mens geworden God voor ons verworven heeft. Daarom kunnen en moeten wij zonder moe of moedeloos te worden volharden in ons innerlijk leven als kinderen van onzeVader die in hemel is. Ik wijs er graag op hoe de christen in geloof, hoop en liefde zijn normale bestaan beoefent. In allerlei kleine dingen die zich in de normale omstandigheden van zijn dagelijks leven voordoen. Immers dáár juist wordt werkelijk duidelijk hoe iemand, die rekent op de goddelijke bijstand, zich gedraagt. In de beleving van de theologale deugden vindt hij bovendien de blijdschap, de kracht en de rust die hem kenmerken.

Dat zijn de vruchten van de vrede van Christus, de vrede die zijn allerheiligst hart ons geeft. Laten wij nogmaals benadrukken dat de liefde van Jezus voor de mensen een ondoorgrondelijk aspect van het goddelijk mysterie is, van de liefde van de Zoon voor de Vader en de heilige Geest. De heilige Geest, de band van liefde tussen de Vader en de Zoon vindt een menselijk hart in het goddelijk Woord.

Het is onmogelijk over deze kernwaarheden uit ons geloof te spreken zonder ons bewust te zijn van de beperktheid van ons verstand en de grootheid van de openbaring. Maar alhoewel wij die waarheden niet kunnen begrijpen, ondanks het feit dat ons verstand zich er steeds over verbaast, toch geloven wij hier nederig en standvastig in. Wij wéten dat het zo is, dank zij de getuigenis van Christus. Wij weten dat de liefde in de schoot van de heilige Drievuldigheid zich uitstort over alle mensen, door middel van de liefde van het hart van Jezus.

In het hart van Jezus leven en nauw met Hem verbonden zijn betekent daarom een woonplaats te worden van God. Degene, die Mij bemint, zal door mijn Vader bemind worden (Joh. 14, 21), heeft Hij ons geleerd. En Christus en de Vader, in de heilige Geest, komen tot de ziel en nemen daar hun intrek (vgl. Joh. 14, 23).

Wanneer wij deze grondregel begrijpen - al is het maar een beetje - dan verandert ons wezen. Wij krijgen honger naar God en maken ons de woorden van de psalm eigen: Mijn God, ijverig zoek ik U, mijn ziel dorst naar U, mijn lichaam snakt naar u als dorre aarde zonder water (vgl. Ps. 62, 2 [bij de lauden van het feest van vandaag]). En Jezus, die dit verlangen in ons heeft aangestoken, komt ons tegemoet en zegt indien iemand dorstig is, laat hem tot Mij komen en drinken (Joh. 7, 37). Hij biedt ons zijn hart aan, opdat wij daar rust en kracht zullen vinden. Als wij gehoor geven aan zijn roepstem, dan zullen wij ervaren dat zijn woorden wáár zijn. Onze honger en dorst zullen alleen maar toenemen, totdat God in ons hart zijn rustplaats vindt en ons zijn warmte en licht nooit meer onthoudt.

Ignem veni mittere in terram, et quid volo nisi ut accendatur! (Lc.12, 49 [uit de antifoon Ad Magnificat van de eerste vespers]). Vuur ben Ik op aarde komen brengen, en wat zou ik anders willen dan dat het brandt. Wij hebben ons een beetje opengesteld voor het vuur van Gods liefde. Moge zijn kracht ons leven leiden. Laten wij enthousiast worden om het goddelijk vuur uit te dragen van de éne kant van de wereld naar de andere, om het door te geven aan hen die ons omringen, opdat ook zij de vrede van Christus leren kennen en daarin hun geluk mogen vinden. Een christen, verenigd met het hart van Jezus, kan geen andere doel hebben dan vrede in de maatschappij, vrede in de kerk, vrede in eigen ziel en vrede in God die zijn voltooiing krijgt wanneer zijn Rijk zal komen.

Maria Regina pacis, koningin van de vrede die geloofd heeft dat de boodschap van de engel in vervulling zou gaan, help ons te groeien in het geloof, standvastig te zijn in de hoop en dieper binnen te dringen in de Liefde. Want dat is het wat uw Zoon vandaag van ons verwacht wanneer Hij ons zijn allerheiligst hart toont.