HomeDocumentatiePrekenPreek van mgr. Javier Echevarría , 10-10- 2002 te Rome.
Documentatie

Preek van mgr. Javier Echevarría , 10-10- 2002 te Rome.

Tags: Heiligverklaring, Javier Echevarría
Wij kunnen ons afvragen: wat zijn onze voornemens na deze Romeinse dagen, waarin wij de wonderlijke universaliteit hebben ervaren van de Kerk en van het Opus Dei als klein deel van de Kerk? Hoe moet mijn leven nu en later verlopen? Wat kan ik namens de heilige Jozefmaria zeggen tegen degenen die niet bij de heiligverklaring konden zijn, ook al waren ze deze dagen geestelijk wel aanwezig?

Als ik hen zou spreken, zou ik hen herinneren aan wat onze geliefde don Álvaro tien jaar geleden zei in een van de dankzeggingsmissen voor de zaligverklaring van onze stichter. Hij zei dat er een “nieuwe fase in het leven van het Opus Dei (…), in het leven van ieder van zijn leden begint. Een fase van grotere liefde tot God, van meer apostolische inzet en van een edelmoedigere dienst aan de Kerk en de mensen; oftewel een fase van grotere trouw aan de geest van heiliging in de wereld, die onze stichter ons heeft nagelaten” (Preek in de mis van dankzegging voor de zaligverklaring van Jozefmaria Escrivá, 21 mei 1992). Met andere woorden: dagelijks tot persoonlijke inkeer komen.

Ik zou deze drie punten willen aanstippen. Ik vraag de Heer dat hij deze bij ons inprent en ons helpt ze in praktijk te brengen.


Een grotere liefde tot God. De maanden vóór deze heiligverklaring hebben we ons ingezet om elke dag tot inkeer te komen. Hoe vaak hebben wij dit op voorspraak van de heilige Jozefmaria Escrivá gevraagd. We zijn ons ervan bewust dat de weg naar de heiligheid geplaveid is met bekeringen. Inkeer bestaat niet alleen in het omarmen van het ware geloof, of in het afwijzen van de zonde om de genade vrij baan te geven. Vriendschap met God is een vereiste om in zijn intimiteit te treden. Maar dat is niet voldoende. Zoals onze stichter deed, is het nodig in die intieme omgang te groeien, door ons steeds meer met Christus te vereenzelvigen, totdat we met Paulus kunnen zeggen: "vivo autem, iam non ego, vivit vero in me Christus" (Gal 2, 20), ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij; want op elk moment volg ik trouw de sporen die de Heer op zijn aardse voettocht heeft achtergelaten. “Stel je nooit tevreden met wie je bent – zegt Sint Augustinus –, als je wilt bereiken wat je nog niet bent. Want daar waar je tevreden dacht te zijn, daar stopte je. Als je zou zeggen: ‘Nu is het genoeg!’, dan zou je verliezen. Groei altijd, ga altijd vooruit” (Preek 169, 18).

Op de pelgrimstocht naar de hemel is deze inspanning om elke dag vooruit te gaan en in de heiligende taak met de heilige Geest mee te werken, noodzakelijk. Dat is mogelijk door telkens weer tot inkeer te komen; misschien in kleine zaken, maar wel concreet en constant. Dat zijn als het ware de stappen die de ziel zet om steeds dichter bij God te komen. Het zou daarom passend zijn dat wij deze dagen afsluiten met het voornemen om het onderricht in praktijk te brengen van degene die door de Heer is aangewezen – door hem het Opus Dei te laten zien – als heraut en voorbeeld van de universele oproep tot heiligheid en apostolaat in de gewone omstandigheden van het dagelijkse leven. Vragen wij God de Vader, op voorspraak van deze heilige priester, waartoe de Kerk ons in de Mis uitnodigt: dat wij, in het trouw vervullen van onze dagelijkse arbeid in de Geest van Christus, ons vereenzelvigen met uw Zoon (Mis van de heilige Jozefmaria, collecta). Wij vragen, Heer, dat wij als christenen ons allemaal verdiepen in de betekenis van het goddelijk kindschap, met de geest en doeltreffendheid waarmee de heilige Jozefmaria dat trouw aan de ingevingen van de Geest probeerde.

Onze hoop is, ondanks onze geringheid, zeker: God wil ons in Christus en door de heilige Geest tot de volmaaktheid van de liefde voeren. Allen die zich laten leiden door de Geest van God, zijn kinderen van God. De geest die gij ontvangen hebt, is er niet een van slaafsheid, die u opnieuw vrees zou aanjagen. Gij hebt een geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen: Abba, Vader! De Geest zelf bevestigt het getuigenis van onze geest, dat wij kinderen zijn van God. Maar als wij kinderen zijn, dan ook erfgenamen, en wel erfgenamen van God tezamen met Christus, daar wij delen in zijn lijden, om ook te delen in zijn verheerlijking (Rom 8, 14-17).


Het voornemen om God meer lief te hebben, ons volledig met Christus te vereenzelvigen, te beantwoorden aan de werking van de heilige Geest, moet zich vertalen in meer apostolische inzet. De liturgie nodigt ons uit om verenigd met de allerheiligste maagd Maria het werk van de Verlossing met vurige liefde te dienen (Mis van de heilige Jozefmaria, collecta).

Jullie staan op het punt terug te keren naar je land, naar je gezin en je werk. Ga in de wetenschap dat God jullie als instrument wil gebruiken om Zijn woord en Zijn genade over de aarde te verbreiden. Kijk om je heen: in je werkkring, je sociale omgeving, je familie. Daar komen jullie zoveel mensen – kinderen van God – tegen, die onvoldoende oog hebben voor de grote waardigheid die zij als gedoopten bezitten; noch voor de grootse roeping waarmee God hen uitnodigt om te delen in Zijn leven. Misschien heeft niemand hen over God gesproken of hen ervan overtuigd dat zij bestemd zijn voor het Geluk, met hoofdletter: het eeuwig geluk, waar alle mensen naar streven en dat de aardse dingen ons niet kunnen verschaffen.

Wij moeten hen uit hun slaap wakker schudden en hun de ogen openen met het voorbeeld van ons leven en het enthousiasme van onze woorden, en hen aldus tot Jezus leiden. Wij kunnen rekenen op de machtige hulp van de Maagd en van de heilige Jozef, van de engelbewaarders, van de heilige Jozefmaria en van alle heiligen. Wij zijn niet beter dan zij, maar de Heer heeft ons in zijn onmetelijke liefde gezocht. Hij nodigt ons uit om op alle wegen en kruispunten van de wereld de broeders en zusters die ons omringen te ontmoeten.

Het wonder van het evangelie van vandaag herhaalt zich: de apostelen, trouw aan het gebod van Christus, vingen zulk een massa vissen in hun netten, dat deze dreigden te scheuren (Lc 5, 6). In de woorden van de stichter van het Opus Dei denken ook wij aan “de ellende waaruit wij gemaakt zijn, wanneer we denken aan zoveel mislukkingen door onze hoogmoed; tegen deze majesteit van God, van Christus als visser, moeten wij met Sint Petrus zeggen: Heer, ik ben een zondig mens (vgl. Lc 5, 8). Dan zal Christus jou en mij zeggen wat Hij tegen Simon Petrus zei: voortaan zult ge mensen vangen (Lc 5,10). Dit is een goddelijk gebod met een goddelijke zending en goddelijke doeltreffendheid” (Aantekeningen bij een meditatie, 3-11-1955).


Onze inspanning om heilig te zijn en apostolaat te doen heeft één doel: de eer van God, de redding van de zielen: een edelmoedigere dienst aan de Kerk en aan alle mensen, zoals don Álvaro het tien jaar geleden uitdrukte. Maar we moeten niet vergeten dat wij de anderen niet kunnen dienen, als wij onszelf niet dagelijks inzetten voor degenen rondom ons. De heilige Jozefmaria Escrivá had tijdens zijn aardse leven geen ander doel dan God, de Kerk, de paus en alle zielen te dienen. Hij volgde het voorbeeld van de Meester die niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen (Mt 20, 28). Deze heilige priester hield van de zielen, omdat hij de mensen rondom hem met een fijngevoelige liefde beminde.

Als dienaar van allen, stelde hij zich in het bijzonder ten dienste van de Kerk en van de paus. Hij schreef: “Denk eraan dat, in de hiërarchie van liefde en gezag, na God en Onze Lieve Vrouw de paus komt. Daarom zeg ik vaak: dank U, God, voor de liefde tot de paus die u in mijn hart hebt gelegd” (Brief 9 januari 1932, 20).

Laten wij deze liefde en waardering voor de paus volgen. Zijn waardigheid als plaatsvervanger van Christus, als "dolce Cristo in terra", is voldoende reden om ons met heel ons hart met de heilige Vader verenigd te voelen. Dit vloeit voort uit een ware en eigenlijke kinderlijke plicht. Maar onze dankbaarheid jegens Johannes Paulus II is bovendien gepast, omdat hij het werktuig van God is geweest voor de heiligverklaring van onze stichter. Bidden wij daarom intens voor hem en voor zijn intenties, brengen wij offers en dragen wij ons beroepswerk met bovennatuurlijke en menselijke perfectie op.

Denk, met woorden van onze stichter, vooral aan de paus “wanneer de moeite van het werk je er misschien aan herinnert, dat je aan het dienen bent. Want dienen uit Liefde is een geweldige zaak, die het hart met vrede vervult, ook al zullen de onaangename kanten niet ontbreken” (Brief 31 mei 1943, 11). Als wij deze raadgevingen volgen, zullen wij met zekerheid en met vreugde voortgaan op de weg van onze heiliging (Mis van de heilige Jozefmaria, gebed na de communie).

Vertrouwen wij deze voornemens toe aan de allerheiligste Maagd, Moeder van de Kerk. Zij zal met medewerking van haar bruidegom de heilige Jozef, die wij zoveel vereren, met de heilige engelbewaarders en alle heiligen, en speciaal met de heilige Jozefmaria Escrivá, deze wensen voorleggen aan de allerheiligste Drie-eenheid, die ze met welwillendheid zal aanvaarden en ons de genade zal geven om ze trouw te vervullen. Amen.