HomeHeilige JozefmariaSpreken met GodDe nederdaling van de Heilige Geest
Heilige Jozefmaria
Woorden van de heilige Jozefmaria

De nederdaling van de Heilige Geest

Tags: De Heilige Geest, Hoop, Geloof
Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren allen bijeen op dezelfde plaats. Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak en heel het huis waar zij gezeten waren, was er vol van. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. Zij werden allen vervuld van de heilige Geest en begonnen in vreemde talen te spreken, naargelang de Geest hun te vertolken gaf. [...] Nu woonden er in Jeruzalem Joden, vrome mannen, die afkomstig waren uit alle volkeren onder de hemel. Toen dat geluid ontstond, liep het volk te hoop en tot zijn verbazing hoorde iedereen hen spreken in zijn eigen taal. […] Petrus trad naar voren met de elf en verhief zijn stem om het woord tot hen te richten. […] Die zijn woord aannamen lieten zich dopen, zodat op die dag ongeveer drieduizend mensen zich aansloten. (Hnd 2,1-4)

"De komst, in majesteit en macht, van de Heilige Geest op het Pinksterfeest was geen geïsoleerd gebeuren. Er is nauwelijks één bladzijde in de Handelingen der Apostelen waarin niet gesproken wordt over Hem en zijn werking waardoor het leven en het gedrag der oerchristelijke gemeente wordt geleid en bezield. Hij geeft Petrus het woord der verkondiging in. Hij bevestigt het geloof van de leerlingen. Hij bezegelt met zijn komst de oproep aan de heidenen. Hij zendt Paulus en Barnabas naar verre landen, opdat ze nieuwe wegen openen voor de leer van Christus. Zijn tegenwoordigheid en zijn inspiratie beheersen alles.

De diepe werkelijkheid die door deze teksten van de Heilige Schrift voor ons ontsloten wordt, is niet een herinnering aan vervlogen tijden. Zij is niet een tot geschiedenis geworden gouden eeuw van de Kerk. Deze werkelijkheid is, ondanks de armzaligheid en de zonden van ieder van ons, ook de werkelijkheid van de Kerk heden en voor alle tijden. Ik zal de Vader vragen, – heeft de Heer gezegd – en Hij zal u een andere Helper geven, opdat die in eeuwigheid bij u blijve. Jezus heeft zijn beloften vervuld: Hij is verrezen en naar de hemel opgestegen; in de eenheid met zijn Eeuwige Vader zendt Hij ons de heilige Geest, opdat die ons heiligt en het leven geeft.
Als Christus nu langs komt, 127-128

“Uit de Heilige Geest leven betekent uit het geloof, de hoop en de liefde leven, zich door God laten grijpen opdat Hij ons hart tot op de bodem hernieuwt en het vormt naar zijn plan. Een rijp, diep en sterk christelijk leven kan niet worden geïmproviseerd, want het is de vrucht van het groeien van Gods genade in ons. De Handelingen der apostelen beschrijven het leven van de eerste gemeente met een zin, even kort als betekenisvol: Zij legden zich ernstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en in het gebed (Hand. 2, 42).

[…] Er zijn geen tweederangs christenen, die met een verwaterde vorm van Evangeliebeleving toe zouden kunnen. Wij allen hebben dezelfde Doop ontvangen. Binnen het veelvoud van charisma’s en menselijke situaties deelt de éne Geest zijn gaven uit: één is het geloof, één de hoop, één de liefde.

Wij kunnen daarom de vraag van de Apostel als aan ons gericht beschouwen en die opvatten als uitnodiging tot een meer persoonlijke en rechtstreekse omgang met God: Weet u niet dat u tempel van God bent en dat de Geest Gods in u woont? Helaas is de Helper voor menig christen de Grote Onbekende: een naam die men uitspreekt, maar niet Iemand – een van de drie Personen van de enige God – met Wie men spreekt en uit Wie men leeft.

Wat onontbeerlijk is, dat is de vertrouwde omgang met Hem in eenvoud, zoals de Kerk ons leert in de liturgie. Dan zullen wij Onze Heer beter kennen en ons tegelijkertijd meer bewust zijn van het onuitsprekelijke voorrecht christen te zijn. Dan bevroeden wij de hele volheid en waarheid van die vergoddelijking, die deelname aan het goddelijke leven, waarvan wij al eerder spraken.”
Als Christus nu langs komt, 134