Heilige Jozefmaria
Woorden van de heilige Jozefmaria

Met Maria omgaan

Tags: Onze Lieve Vrouw
Het verlangen om met de Moeder van God, die ook onze Moeder is, om te gaan komt bij ons op spontane natuurlijke wijze op: de wens om met haar om te gaan zoals men omgang heeft met een levende persoon. Immers de dood heeft niet over haar gezegevierd. Integendeel, zij is met ziel en lichaam bij God de Vader, bij haar Zoon, bij de heilige Geest.

Om de rol die Maria in het christelijk leven speelt te begrijpen, om ons tot haar aangetrokken te voelen, om met kinderlijke genegenheid haar liefdevol gezelschap te wensen, zijn geen diepzinnige overpeinzingen nodig, ook al is het mysterie van het goddelijk Moederschap zo rijk aan inhoud, dat wij er nooit voldoende over zullen kunnen nadenken.

Het katholieke geloof ziet in Maria een teken bij uitstek van de liefde van God: God noemt ons reeds nu Zijn vrienden. Zijn genade werkt in ons, zuivert ons van de zonde, geeft ons kracht opdat wij ondanks de zwakheden, die eigen zijn aan iemand die nog steeds stof en ellende is, toch enigszins het gelaat van Christus kunnen weerspiegelen. Wij zijn niet alleen maar drenkelingen, aan wie God beloofd heeft hen te zullen redden, maar deze redding is nu al in ons werkzaam. Onze omgang met God is niet die van een blinde, die naar het licht verlangt, zuchtend te midden van de angst der duisternis, maar wél die van een kind, dat weet dat zijn Vader van hem houdt.

Over die hartelijkheid, dat vertrouwen, die zekerheid, spreekt Maria tot ons. Daarom raakt haar naam zo rechtstreeks het hart. De relatie van ieder van ons met onze eigen moeder kan als voorbeeld en als maatstaf dienen voor onze omgang met de Vrouwe met de Zoete Naam, Maria. Wij moeten God liefhebben met hetzelfde hart, waarmee wij onze ouders, onze broers en zusters liefhebben, en al onze andere familieleden, en onze vrienden en vriendinnen; wij hebben nu eenmaal geen ander hart. Met ditzelfde hart moeten wij met Maria omgaan.

Hoe gedragen een gewone zoon of dochter zich tegenover hun moeder? Op duizend en één verschillende manieren, maar altijd met genegenheid en vertrouwen. Een genegenheid, die zich op veel manieren kan uiten; die ontstaan is uit het leven zelf, die nooit kil is, maar gegroeid binnen de intieme sfeer van de huiselijke kring. Het zijn meestal van die kleine dingen die dagelijks voorkomen en die de moeder zal missen als haar kind ze soms vergeet; zoals gedag zeggen bij het weggaan of een kusje bij het thuiskomen, een klein cadeautje, een paar veelzeggende lieve woorden.

Er zijn bij onze betrekkingen met onze Moeder in de hemel ook vormen van kinderlijke vroomheid, die de weg zijn voor een normale omgang met haar. Veel christenen zijn gewend een scapulier te dragen of zij hebben de gewoonte de beeltenissen van Maria, die in elk christelijk gezin aanwezig zijn en die zoveel straten van talloze steden sieren, te groeten; een groet waarvoor men geen woorden hoeft te gebruiken, maar waarvoor een gedachte volstaat. Of ze bidden dat prachtige gebed van de heilige rozenkrans, waarbij de ziel niet moe wordt steeds hetzelfde te herhalen, evenmin als een verloofd paar het moe wordt elkaar steeds weer hetzelfde te zeggen. Het is een gebed waarin wij de hoogtepunten van het leven van de Heer opnieuw leren beleven. Of zij wijden aan Onze Lieve Vrouw één dag van de week toe, juist deze waarop wij nu bij elkaar zijn, de zaterdag, om haar een of andere kleine attentie aan te bieden en haar moederschap in het bijzonder te overwegen.

Er zijn veel andere devoties tot Maria, waaraan wij nu niet hoeven te herinneren. Niet alle hoeven voor te komen in het leven van elke christen, want het groeien in het bovennatuurlijk leven is heel wat anders dan een opeenhoping van devoties. Maar ik moet wel zeggen, dat wie geen enkele van deze Mariadevoties beoefent, niet de volheid van het christelijk geloof bezit.

Degenen, die de devoties tot de allerheiligste Maagd als verouderd beschouwen, hebben alle begrip verloren voor de diep christelijke betekenis ervan. Zij zijn de bron waaruit ze zijn ontstaan, vergeten; namelijk het geloof in de verlossende wil van God de Vader; de liefde tot God de Zoon, die werkelijk mens werd, geboren uit een vrouw; en het vertrouwen in God de heilige Geest, die ons heiligt met zijn genade. Het is God die ons Maria heeft gegeven, en wij hebben niet het recht haar af te wijzen, maar wij moeten met kinderlijke liefde en blijdschap onze toevlucht tot haar nemen.

Als Christus nu langskomt, 142