Documentatie
Een beeld, gegrift in mijn ziel
José Ramón Herrero
“Ik heb vele uren biechthoren op mijn geweten,” zei de heilige Jozefmaria vaak, “bij kinderen uit de armste wijken van Madrid. Graag had ik de biecht afgenomen van alle kinderen in alle treurige, meest behoeftige wijken in wereld. Zij kwamen met een lopende neus, je moest eerst hun gezicht schoonmaken om vervolgens hun arme kleine zielen te reinigen.”
Een van de jonge mannen die de heilige Jozefmaria plachten te vergezellen was José Ramón Herrero die toen eerstejaars student Rechten was. Zijn getuigenis is van grote waarde, omdat hij ooggetuige was van het pastorale werk van de heilige Jozefmaria gedurende die jaren.
“De macht van het Opus Dei is het gebed,” zei de heilige Jozefmaria vaak op verschillende manieren. In de vroegste jaren van het Opus Dei vertrouwde hij speciaal op het aan God opgedragen gebed en lijden van de armste en meest behoeftige mensen.
“Ik ging altijd biechten bij de Vader, zoals we Don Josemaria noemden,” herinnert zich Herrero, “en soms ging ik met hem mee om catechismusles te geven. Er was een groep van vijf of zes studenten die ging, we ontmoetten elkaar op zondagmorgen in de metro van Madrid.”
“Als we uit de metro kwamen, moesten we nog tamelijk ver lopen over met onkruid overwoekerd, modderig terrein, voordat we bij de krotten kwamen waar de kinderen woonden die wij catechismusles gaven. De kinderen waren erg vervuild en haveloos, maar erg levendig en leergierig. De Vader wilde dat we hun ouders ontmoetten, maar dat was niet eenvoudig. Op een zekere dag kwam een kleine jongen in tranen langs. ‘Wat is er aan de hand?’ vroegen we. ‘Mijn vader is ernstig ziek,’ zei hij. We gingen met hem mee naar het hutje waar hij woonde. Het bestond uit slechts een berg blikjes en smerig karton, met binnen een aantal armzalige kinderen op een kluitje samengepakt. Zijn vader lag te rillen van de koorts op een soort hard en oud bed. We deden wat we konden voor hen.”
“Op een dag zei de heilige Jozefmaria tot mij, ‘Wil je mij vergezellen om zieken te bezoeken?’ We gingen naar het algemene ziekenhuis in Atocha, nabij het treinstation van Madrid. Het was een enorm gebouw met een binnenplaats en zeer hoge plafonds.”
“Alles was koud, troosteloos en zielloos. Ik vergeet nooit de indruk die het op mij maakte: die enorme met zieken overbevolkte verpleegafdelingen en bij gebrek aan bedden waren de zieken overal in gepropt: bij de trap, in de gangen, in elke hoek op matrassen, op strozakken, op de vloer. Ze hadden tyfus, longontsteking of tuberculose, in die tijd ongeneeslijke ziekten. De meesten van hen waren de armoede van het platteland ontvlucht en waren naar de hoofdstad gekomen om hier hun geluk te beproeven."
"In die tijd waren er in Madrid onvoldoende ziekenhuizen om zorg te dragen voor zoveel zieke mensen en in deze ziekenhuizen was onvoldoende personeel om voor hen te zorgen. Toen de Vader deze zieken ging bezoeken hoorde hij niet alleen biecht, maar zorde ook voor hen en was hun dienstbaar. Zaken die tegenwoordig door ziekenhuismedewerkers als vanzelfsprekend worden gedaan, maar in die jaren, in die situatie niemand voor hen deed.”
“Hij waste hen, knipte hun nagels, verzorgde hun haren, schoor hen, leegde de po ... Hij kon geen eten geven, omdat het ziekenhuis hem dat verbood, maar liet voor de zieken altijd iets goeds achter om te lezen. Hij vroeg aan die zieke mannen en vrouwen, aan wie de artsen veelal geen hoop meer konden bieden, om hun pijn, lijden en eenzaamheid op te offeren voor het apostolaat dat hij deed met jongeren.”
“Toen ik nog jong was en met hem mee ging, stond ik achter hem te kijken als hij de zieken zijn aandacht schonk. Ik heb dit beeld in mijn ziel gegrift staan: de Vader geknield bij een zieke, liggend op een armzalige strozak op de vloer, hem bemoedigend, woorden sprekend van hoop en troost. Dit beeld blijft in mijn geheugen staan – de Vader aan het bed van deze stervende mensen, hen troostend en met hen sprekend over God.”
“Een beeld dat al die jaren van zijn leven weerspiegelt en samenvat.”

Madrid in de dertiger jaren van de twintigste eeuw.
“De macht van het Opus Dei is het gebed,” zei de heilige Jozefmaria vaak op verschillende manieren. In de vroegste jaren van het Opus Dei vertrouwde hij speciaal op het aan God opgedragen gebed en lijden van de armste en meest behoeftige mensen.
“Ik ging altijd biechten bij de Vader, zoals we Don Josemaria noemden,” herinnert zich Herrero, “en soms ging ik met hem mee om catechismusles te geven. Er was een groep van vijf of zes studenten die ging, we ontmoetten elkaar op zondagmorgen in de metro van Madrid.”
“Als we uit de metro kwamen, moesten we nog tamelijk ver lopen over met onkruid overwoekerd, modderig terrein, voordat we bij de krotten kwamen waar de kinderen woonden die wij catechismusles gaven. De kinderen waren erg vervuild en haveloos, maar erg levendig en leergierig. De Vader wilde dat we hun ouders ontmoetten, maar dat was niet eenvoudig. Op een zekere dag kwam een kleine jongen in tranen langs. ‘Wat is er aan de hand?’ vroegen we. ‘Mijn vader is ernstig ziek,’ zei hij. We gingen met hem mee naar het hutje waar hij woonde. Het bestond uit slechts een berg blikjes en smerig karton, met binnen een aantal armzalige kinderen op een kluitje samengepakt. Zijn vader lag te rillen van de koorts op een soort hard en oud bed. We deden wat we konden voor hen.”
“Op een dag zei de heilige Jozefmaria tot mij, ‘Wil je mij vergezellen om zieken te bezoeken?’ We gingen naar het algemene ziekenhuis in Atocha, nabij het treinstation van Madrid. Het was een enorm gebouw met een binnenplaats en zeer hoge plafonds.”
“Alles was koud, troosteloos en zielloos. Ik vergeet nooit de indruk die het op mij maakte: die enorme met zieken overbevolkte verpleegafdelingen en bij gebrek aan bedden waren de zieken overal in gepropt: bij de trap, in de gangen, in elke hoek op matrassen, op strozakken, op de vloer. Ze hadden tyfus, longontsteking of tuberculose, in die tijd ongeneeslijke ziekten. De meesten van hen waren de armoede van het platteland ontvlucht en waren naar de hoofdstad gekomen om hier hun geluk te beproeven."
"In die tijd waren er in Madrid onvoldoende ziekenhuizen om zorg te dragen voor zoveel zieke mensen en in deze ziekenhuizen was onvoldoende personeel om voor hen te zorgen. Toen de Vader deze zieken ging bezoeken hoorde hij niet alleen biecht, maar zorde ook voor hen en was hun dienstbaar. Zaken die tegenwoordig door ziekenhuismedewerkers als vanzelfsprekend worden gedaan, maar in die jaren, in die situatie niemand voor hen deed.”
“Hij waste hen, knipte hun nagels, verzorgde hun haren, schoor hen, leegde de po ... Hij kon geen eten geven, omdat het ziekenhuis hem dat verbood, maar liet voor de zieken altijd iets goeds achter om te lezen. Hij vroeg aan die zieke mannen en vrouwen, aan wie de artsen veelal geen hoop meer konden bieden, om hun pijn, lijden en eenzaamheid op te offeren voor het apostolaat dat hij deed met jongeren.”
“Toen ik nog jong was en met hem mee ging, stond ik achter hem te kijken als hij de zieken zijn aandacht schonk. Ik heb dit beeld in mijn ziel gegrift staan: de Vader geknield bij een zieke, liggend op een armzalige strozak op de vloer, hem bemoedigend, woorden sprekend van hoop en troost. Dit beeld blijft in mijn geheugen staan – de Vader aan het bed van deze stervende mensen, hen troostend en met hen sprekend over God.”
“Een beeld dat al die jaren van zijn leven weerspiegelt en samenvat.”
Nederlands









Gebed
RSS
YOUTUBE